Wanneer
het buiten haast nog kouder aanvoelt dan vanbinnen.
het leven voor twee mensen genoeg geweest is,
hoezeer jij ook probeert.
je de grond raakt met een onvoorziene smak en je overmand wordt
door een schrik om opnieuw te vallen.
(Je was er net overheen.)
Dan heb je soms niet meer nodig dan een regenboog.
Al mag een dubbele ook.
Twaalfenhalf
In dit water tellen twaalfenhalf baantjes samen één kilometer.
Ik bedenk me dat doelen niet altijd groots hoeven te zijn.
Baan na baan, maal twaalfenhalf.
Ik tel ze om te meten, weten,
maar bovenal verder alles
te vergeten.
Eén: Op zichzelf (be)staand. Op goede dagen mezelf, op mindere slechts de helft.
Twee: De letterlijke betekenis van een paar. Al bedoelen mensen dààr meestal meerderen mee. Verwarrend.
Drie: Niet Goudlokje’s favoriete getal.
Vier: Mijn favoriete manier van leven.
Vijf: Iets om naar uit te kijken als je om 9 gestart bent.
Zes: Een negen op haar kop.
Zeven: Brengt je geluk als je erin gelooft (maar anders waarschijnlijk ook).
Acht: Een eeuwigheid op haar zij.
Negen: Een palindroom. Gemiste kans dat het woord palindroom er zelf geen is, eigenlijk!
Tien: Verwaarloosbaar of het maximum, afhankelijk van de schaal.
Elf: Om 11 na 11 mag je een wens doen. Ik maak de regels niet.
Twaalf: Alweer een einde in zicht. Of is het een begin?
Enhalf: Immer de helft van een geheel en op zoek naar iets of iemand om zichzelf mee te vervolledigen. Met jou, misschien?
Baan na baan, maal twaalfenhalf.
In het water voelt mijn hoofd
boven water houden
niet als werken aan.
Onbereikbaar
Elke keer ik door een privénummer gebeld word,
durf ik niet op te nemen. Omdat ik bang ben
dat de stem aan de andere kant van de lijn
me zal vertellen dat jij
dood bent.
Ben ik nu echt het soort persoon geworden
dat eerst haar weerapp opent
in plaats van haar gordijnen?
Dagen vol poëzie
De neus van jouw fietsband
die heel voorzichtig
de mijne zoent.
De tak op het fietspad
die volledig in zijn rol
van stokmannetje is gekropen.
De eerste bloesems ontdekken
op de voorlaatste dag
van januari.
Zo poëtisch verzin je het toch niet?
Soms staar ik net zo lang naar hetzelfde woord
totdat het niet meer lijkt te bestaan.
Misschien moet ik het eens met jouw naam proberen?
(Als ik durf.)
We hebben een ijsje in de hand en lachen somber naar elkaar.
We weten het allebei.
Dat het voorbij is nog voor het begon.
(En aan wie dat dan ligt.)
Ik lijk niets meer te kunnen starten.
Laat staan volhouden of afmaken.
Mijn moed heeft plaatsgemaakt
voor een vergevingsgezinde zachtheid,
die me verontschuldigt van elke poging.
Alsof die twee niet niets met elkaar
te maken kunnen hebben.
Ik zou intussen beter
moeten weten.
Hoe ik naar een berg kan kijken en kan schrikken van zijn omvang en hoogte. En het dan voelt alsof ik die nooit beklimmen kan.
En toch antwoord ik met “bergaf” als je vraagt hoe het met me gaat.
Opwarming van de aarde/ mijn hart
Koude winters,
sinds ik jou ken
lijken ze niet meer te bestaan.