Onlosmakelijk

 

We kleven aan elkaar zoals een fotoklever aan een foto.
Fragiel, maar vastberaden.
Jouw vierkanten randjes komen op sommige plaatsen los
van mijn papieren huid.
Maar door de resterende plaklaag blijven onze oppervlaktes
tocht steeds onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Tegen beter weten in.

 

De vliegtuigen die boven onze hoofden zweefden, speelden OXO in de lucht. Jij supporterde spontaan voor het linkervliegtuig, ik voor het rechter. Toen het jouwe won, wees je me erop dat ik door jouw winst toch ook een beetje gewonnen had. “Want zo gaat dat nu eenmaal bij verliefde mensen, die delen alles.”

Op dat moment besefte ik dat we het samen zouden redden. Het enige dat we misschien nog nodig hadden, was een beetje geluk.

Groeien

 

Het park was opvallend rustig voor een zomerse zondag. We vonden moeiteloos een plekje onder de imposante treurwilg. Eentje van waar we iedereen konden zien, maar niet gezien konden worden. Jij zette je rugzak neer en toverde een groot laken tevoorschijn. Je legde het zorgvuldig voor ons neer en gebaarde me om te gaan zitten. Ik volgde je instructie en keek tevreden rond. Heerlijk, ons geheime plekje in het groen. Mijn vingers gingen door de lange grassprieten rondom ons. En heel even hoefde ik zelfs niet naar de overkant te kijken om te weten dat ons gras groener was.

De zon haar shift zat er weer bijna op. We legden onze boeken neer zodat we haar konden uitwuiven. Haar laatste zonnestralen vonden een tijdelijke verblijfplaats op ons gezicht. De lucht rook naar mogelijkheden en onze ogen vulden zich met een reflectie van alles wat we konden zijn, maar eigenlijk al waren. Wanneer de zon volledig onder was, legde ik mijn hoofd te rusten op jouw schouder. Zo zaten we daar in stilte. Seconden-, minuten-, urenlang. Wie zal het zeggen?

In gedachten verzonken, vonden mijn vingers een weg naar de jouwe. Zonder woorden verstrengelden ze zich als boomwortels in de grond. Ik voelde plots een regendruppel op mijn gezicht vallen. En nog een. Er verscheen een gelukzalige glimlach op mijn lippen. Groeien voelde zelden zo tastbaar.

Niet denken aan de bodem

 

Ik ben nooit een uitmuntende zwemmer geweest. De reden? Een zwemles-trauma tijdens de lagere school. Als 5-jarig meisje kreeg ik mijn eerste zwemles. Ik deelde de kleedkamer met de jongens en meisjes van mijn klas. Een beetje ongemakkelijk hees ik me in mijn favoriete lichtblauwe zwempakje met letters en cijfers erop. Ik wachtte tot mijn vriendinnen omgekleed waren en samen repten we ons naar onze klasgenoten, die zich aan de rand van het zwembad hadden verzameld. Daarbij letten we erop dat we zeker niet liepen, zoals het bordje aan de muur ons gebood. Het kon immers glad zijn en we hadden intussen al wat leren lezen.

We wachtten in een chaotisch hoopje bij het diepe deel van het zwembad. Wanneer we voltallig waren, stak de zwemjuf van wal. Of iemand van ons al schoolslag kon? Ik schudde mijn hoofd. Mijn bescheiden zwemervaring bestond tot dat moment uit wat gespartel met mijn in fluobandjes verpakte armen. Een paar klasgenoten knikten, maar ze leken eerder zichzelf dan de juf te proberen overtuigen. Bij gebrek aan feedback wees de juf een Chinese vrijwilliger aan, een klein meisje met lange donkerblonde krullen. “Jij, kom eens hier staan.” Ze wees ostentatief naar de glibberige zwembadrand. Het arme meisje liep met gebogen hoofd naar voren. “Zwemmen is gewoon een kwestie van durven”, ging de juf verder. Om haar woorden kracht bij te zetten, haalde ze een lange smalle stok tevoorschijn. “Straks wanneer je in het water springt, probeer je deze stok gewoon te volgen. En voor je het weet, ben je aan de overkant.” Had ik dat nu goed gehoord? Zou ze écht zomaar het diepe water in moeten, zonder enige voorbereiding? Op een antwoord moest ik niet lang wachten. Nog geen tien seconden later sprong het meisje -mits een fysiek duwtje in de rug – het zwembad in. Na een korte plons kwam ze spartelend boven water. Ze zwaaide haar armen paniekerig in het rond. Daarbij had ze totaal geen oog voor de stok die de juf enkele meters verder voor haar uitstak. Je zou voor minder. Na enkele seconden – die voor haar als een eeuwigheid moeten hebben aangevoeld- leek de juf  door te hebben dat dit geen aangewezen manier van lesgeven was. Ze begeleidde het meisje met haar stok naar de kant en hielp haar het zwembad uit.

Het klinkt misschien gek, maar die paar seconden waren voldoende om me een (plaatsvervangend) jeugdtrauma te bezorgen. Jarenlang ben ik doodsbang geweest om het zwembad in te springen. Bang om te blijven vallen, bang om niet meer boven te komen. Ik behaalde mijn eerste zwembrevet van 25 meter pas in het derde leerjaar. En dat was voor mij best een prestatie. Mijn meester plakte zelfs een post-it op mijn brevet om me te feliciteren. Het behalen van mijn 50m-brevet kostte me beduidend meer moeite. Je moet weten dat ik tijdens de lagere school een korte crush op Filiberke had, het onhandige vriendje van wonderkind Jommeke. De strip ‘Filiberke gaat trouwen’ stak bijgevolg mijn ogen uit. Ik wilde doodgraag weten voor welk meisje Filiberke me liet zitten. Helaas was de strip erg moeilijk te verkrijgen. Mijn moeder beloofde me hem cadeau te geven als ik mijn brevet van 50 meter zou behalen. Een betere motivator kon ik me op dat moment niet voorstellen. Al bleek het niet genoeg te zijn om mijn angst te overwinnen. Op de grote dag was ik zo misselijk van de stress dat ik zelfs geen poging waagde. Stouterik als ik was, loog ik tegen mijn moeder en zei ik dat ik wel drie baantjes gezwommen had. Die strip konden ze me lekker niet meer afnemen. De daaropvolgende zwemles kreeg ik gelukkig een herkansing. Ik raapte al mijn moed bijeen en zwom de angst en het schuldgevoel over mijn leugentje van me af. Dat brevet van 50 meter werd zo toch het mijne! Het zwembrevet van 100 meter kon ik pas in het zesde leerjaar op mijn cv schrijven. Het kostte me bloed, zweet en tranen maar uiteindelijk geraakte ik zes keer naar de overkant. Ik voelde me onoverwinnelijk. Tot mijn andere klasgenoten diezelfde dag hun redderdiploma behaalden. Ach, zit je eigen kracht niet in het kennen van je zwaktes?

Als 5-jarig meisje wist ik al dat ik nooit een uitmuntende zwemmer zou worden. Maar ik bleef mijn best doen en geleidelijk aan leerde ik om mijn grenzen te verleggen. En zo gaat het vandaag eigenlijk nog steeds. Spring maar! Niet denken aan de bodem.

(On)gelukkige verjaardag!

 

Jarig zijn en niets te vieren hebben. Dat gevoel vat mijn recente verjaardag perfect samen. Toegegeven, ik ben nooit het type geweest dat al 364 dagen op voorhand uitkijkt naar haar dag als birthday queen. Maar het ervaren van een licht zenuwachtig, opgetogen gevoel op de ochtend van mijn verjaardag is wél een jaarlijkse traditie. Al was mijn enthousiasme deze editie ver te zoeken.

Nochtans heb ik mijn 24ste levensjaar goed ingezet. Daarvoor kreeg ik de hulp van lieve vriendinnen en een vrolijke hoeveelheid gin. Het was pas de volgende ochtend – tijdens het verorberen van een broodje ei met spek en mayo nota bene- dat me een onverklaarbaar somber gevoel bekroop. En daar zat mijn kater helaas voor niets tussen. Wat een zorgeloze zondag had moeten zijn, werd er een van nergens zin in hebben, vechten tegen de tranen en vooral tegen mezelf. Ik voelde me plots zo ontevreden met wie ik ben en alles wat ik intussen wel en vooral niet bereikt heb. Alsof mijn 24 jaar op aarde geen enkele meerwaarde heeft. Gelukkig werd ik tijdens deze rotdag vergezeld door mijn favoriete paar armen, die me puur door zijn aanwezigheid het tegenovergestelde kon doen geloven.

Al rest de vraag: was dit een anticipatie op de hateful thirty? Of slechts een flauw voorproefje?

 

Open boek

 

“Waarom ben je steeds bezig met vertrekken?” Ze had het niet luidop willen zeggen, alleen maar willen denken. Helaas was de verzuchting geniepig aan haar lippen ontsnapt. Hij keek haar verward aan. “Wat bedoel je daar nu mee?” Te laat, nu kon ze niet meer terug. Ze haalde haar schouders op. Wat ze ook zou zeggen, hij zou het momenteel niet begrijpen. “Het is onze laatste avond samen en toch zit je in gedachten alleen maar bij morgen.” Haar repliek had meer als een verwijt geklonken dat ze had gewild en ze had er meteen spijt van. Hij schonk er echter geen aandacht aan. “Kom hier, jij. Ik ga je ook missen”, wenkte hij haar. Zijn reistas belandde prompt op de grond.

Hij kon haar steeds moeiteloos lezen. En zij was met plezier zijn open boek.