Tijd-/ pijnverdrijf

 

Ik sneed me tijdens de afwas aan een botermes, maar merkte het amper op. Wanneer je bezig bent, heb je geen tijd om (pijn) te voelen. Kijk maar naar mij en het botermes. Als mijn keukenhanddoek niet stilaan donkerrood had gekleurd, had ik er zelfs geen erg in gehad.

Ik maak niet graag tijd om verdrietig te zijn. Mijn afwas laat ik dan ook nooit langer dan twee dagen op rij staan.

Neem mij mee

 

Al van jongs af aan ben ik op zoek naar een compacte vorm van bestaan. Wanneer ik me neerplof in de zetel druk ik mijn benen steevast dicht tegen me aan. Tegen etenstijd plooi ik ze aan tafel behendig onder me. Ik beeld me dan stiekem in dat alles wat buiten het veilige oppervlak van de stoel valt lava is. ’s Nachts rol ik mijn benen op totdat ik een bolletje van armen en benen ben. Het lijkt soms alsof ik bang ben dat mijn benen er op een dag zonder mij vandoor zullen gaan.

Al van jongs af aan ben ik op zoek naar een compacte vorm van bestaan. En ik blijf oefenen tot ik op een dag opvouwbaar ben en in je binnenzak pas.

(Neem mij mee.)

Ik zit in tegenovergestelde richting op de avondtrein van Londen naar Brussel-Zuid. Met een vertraging van exact 1 uur en 37 minuten (net lang genoeg voor een compensatie) heb ik mijn plakkerige billen eindelijk op een veel te hard treinzitje kunnen nestelen. Soms zit comfort simpelweg in het vertrouwde, bedenk ik me. En niet zozeer in het eigenlijke materiaal van zo’n treinzitje, want dat is niet bepaald om over naar Brussel-Zuid te schrijven. Aangezien de andere reizigers in tegenovergestelde richting van me zitten, lijkt de hele trein me aan te staren. Ik word er ongemakkelijk van. Om niet voor de derde keer in dezelfde minuut oogcontact te maken met de vriendelijk ogende dertiger schuin over me richt ik mijn ogen ten hemel. Of alleszins wat daarvoor verward wordt.

In de reflectie van het bagagerek boven mijn hoofd volg ik stiekem het doen en laten van een passagierster enkele rijen verderop. Een jong meisje met bruine krullen en een bril in goudkleurige tint neemt nog een hap van haar mandarijn. Er loopt wat sap over haar lip. Ik heb een hekel aan mandarijnen, vooral aan hun geur. Die merk ik ondanks mijn permanent verstopte neus al van meters ver op. Het is zelfs zo erg dat een vriendin van me zich tijdens de pauzes op school steevast afzonderde wanneer ze er eentje bij zich had. Ze at hem dan stiekem op en vervoegde zich nadien met haar naar zeep geurende handen terug bij ons groepje. En dat zonder dat ik haar dat ooit gevraagd heb (wat weliswaar barbaars zou zijn). Als dat geen teken van een vriendschap voor het leven is, weet ik niet hoe je die tegenwoordig wel kan herkennen.

Olifant in mijn kamer

 

Het verbaasde me dat je uitgerekend over de gebarsten spiegel op mijn vensterbank begon. Alsof je de dreiging wel voelde, maar niet kon thuisbrengen. Je merkte hem toen niet op hé, de olifant in mijn kamer? Maar terwijl jij enkel oog had voor de barst in het spiegeloppervlak, bestudeerde ik de onze.

“Die spiegel is er al bij al nog niet zo slecht aan toe”, besloot ik.

Aan het typen…

 

Het lijkt deze dagen alsof je overal bent, maar even goed nergens. Via mail word ik dagelijks op de hoogte gehouden van de appartementen waarin we samen hadden kunnen wonen. De plek waarop onze lippen elkaar voor het eerst raakten, ligt op mijn vaste fietsroute naar het werk. De vinkjes op Whatsapp kleuren blauw, maar jouw antwoord blijft uit. Ik hoop wanhopig op een ‘aan het typen…’, die niet zal komen.

Mijn lichaam doet pijn van je te hoeven missen. Flarden van herinneringen aan onze wandelingen in de bergen, je boze “Schat!” wanneer ik de afstandsbediening weer liet vallen en onze warme knuffels voor het slapen gaan, dansen in mijn hoofd. Ze verdringen elkaar voor hun five minutes of fame, een kans om me even aan het wankelen te brengen. Wanneer ik ze zeg dat hun aanwezigheid me nu niet past, kloppen ze enkele minuten later loeihard op de deur. Ze eisen dat ik hen binnen laat, in mijn hoofd en hart. Daarbij dringen ze zelfs aan op een warm ontvangst. Koude tranen glijden langs mijn wangen. Dit lukt me niet.

Verdriet brengt me aan het schrijven. En ik denk dat het verhaal over ons het eerste zal zijn dat ik ooit zal afmaken. Ik hoop het van harte. (Maar ergens ook helemaal niet.)

We zitten in de auto. Jij aan het stuur en ik als je loyale, maar op het vlak van oriëntatie onbetrouwbare copiloot in de stoel rechts van je. Hoewel het te warm is voor de zetelverwarming zet ik hem toch op. Ik heb mijn benen onhandig over elkaar geslagen en laat mijn handen in mijn schoot rusten. Het tafereel heeft onbedoeld iets religieus, maar God kan ons deze keer niet helpen.

Een echt plan hebben we niet. We willen gewoon weg. Ver weg van het land waar gewoonte koning is. We zijn klaar voor iets nieuws, maar onze eindbestemming heeft nog geen naam. ‘Onderweg’ klinkt voorlopig perfect.