Als ik toen voor de keuze had worden gesteld, dan zou ik mezelf hebben weggestemd. Niet uit een spelprogramma met een eilandraad, maar uit dit leven.

Mijn afgekloven vingertoppen gaan langs mijn hemden en blouses, die naar goede gewoonte kaarsrecht op hun kapstok hangen. Terwijl ze de verschillende texturen gewaarworden, valt het me op dat haast elk kledingstuk zwart of grijs is. Er overvalt me een kort maar heftig gevoel van nostalgie, een gek soort gemis. Naar mijn kleurrijke jaren, de periode waarin ik de behoefte had om me mooi te voelen. Ik kan me de laatste keer dat ik mezelf van een laagje mascara voorzag amper nog voor de geest halen. En ook mijn drie paar rode lippenstift, elke tint een tikkeltje donkerder dan de vorige, liggen onaangeroerd in de make-uptas die zich in mijn badkamerkastje schuilhoudt.

Sinds jouw vertrek voel ik me precies zoals ik eruitzie: vermoeid en grauw. Onzichtbaar. Mijn gedachten dwalen af naar de laatste keer dat jouw blik de mijne kruiste. Je zag er toen exact hetzelfde uit als ik nu. Voelde je je toen ook hetzelfde? Die avond werd je omgeven door een jungle van buisjes en draden. De stilte die onvermijdelijk in de lucht hing, werd zo nu en dan onderbroken door het geluid van jouw hartslagmonitor of mijn diepe zuchten. Jouw ijskoude handen vertelden me toen een verhaal waarvoor je stem de kracht miste. Ik kon alleen maar knikken en hopen dat mijn lippen nog een laatste keer naar boven zouden krullen. Want dat waren ze je verschuldigd. Als ze je toen in de steek hadden gelaten, zou hun eigenaar nooit meer de kans hebben gekregen om het goed te maken. Dat leken ze gelukkig maar al te goed te beseffen want ze maakten me fier. Net als jij. Op een of andere manier deed je pijn lijden prachtig lijken. Die avond tikten de minuten langzaam weg. Ik voelde je steeds meer wegglijden. In een hopeloze poging om je langer bij mij te houden, kneep ik in je hand. Maar je had je keuze al gemaakt. “Het is goed”, wist je nog net uit te brengen. En toen sloten je ogen zich. Je zou nooit meer wakker worden.

De herinnering aan die bewuste avond jaagt nog steeds een koude rilling door mijn hele lichaam. Mijn hoofd barst van de ingehouden tranen. Het voelt alsof ik ieder moment zal breken. Ik moet even neerzitten. Instinctief vlei ik me neer op de lederen zetel naast de leeslamp. Jouw lievelingsplekje. Ik sluit mijn ogen, net als jij toen, en wens dat ik nooit meer wakker hoef te worden.

Moest ik toen de kans hebben gekregen om jou erin te houden, had ik er alles voor opgegeven. Niet in het minst mijn eigen bestaan.

Hoofd in de wolken

 

Moest dromen een voltijdse baan zijn, zou ik er ongetwijfeld ontzettend rijk mee worden. Dan reef ik zoveel kleurrijke briefjes en glanzende munten binnen dat mijn droomhuis ervan zou uitpuilen. Dan gaf ik een feest als ik Samson en Gert-gewijs de kaap van één miljoen bereikte en trakteerde ik iedereen op liters limonade en honderd kilo chocolade.

Kijk, nu betrap ik me er weer op. Dat ik me laat meevoeren op het zachte wolkenbed dat me richting dromenland leidt. Daarbij voor het gemak mijn bestaan als armzalige student even negerend. Mijn punt is: ik ben een geboren dromer. Ik heb het in zekere zin altijd al gedaan en ik ben ervan overtuigd dat het zelfs met wat duw- en trekwerk niet meer uit mij te krijgen is. En gelukkig maar.

In mijn tienerjaren hield ik er een dromenboekje op na. De man van mijn dromen, de gewenste kleur van mijn droomauto en het hondenras dat ik later op het schapenvelletje voor mijn open haard wilde aantreffen, stonden er uitgebreid in beschreven. Ik zag geen detail over het hoofd. Je weet maar nooit dat ik tijdens een boswandeling een magische lamp zou aantreffen en plots met mijn mond vol tanden zou staan zonder iets te kunnen bedenken om te wensen. Dat zou mij nooit overkomen. Ik had mijn voorzorgen genomen.

Tijdens de overstap van zorgeloze tiener naar zoekende twintiger moest mijn dromenboekje wijken voor een dromen-jar. Die had ik gevuld met papiertjes die mijn diepste wensen en ambities bevatten. Daar was ik toch mooi een hele middag zoet mee. Sommige dromen kon ik intussen van mijn lijst schrappen. De tijd dat ik een date voor het schoolbal wilde strikken, ligt helaas al even achter me. En ook een boek schrijven voor mijn twintig kon van de lijst geschrapt worden wegens niet meer haalbaar (Al heb ik de deadline gewoon wat verlaat toen ik hem opnieuw noteerde voor in mijn jar). Toch waren er veel dingen die ongewijzigd bleven. Zoals mijn ambitie om een herstelwinkeltje voor pennen te beginnen, mijn wens om de tango te leren en mijn droom om op de leeftijd van 40 jaar een Tupperware-avond te organiseren (geen commentaar). Grappig eigenlijk hoe alles doorheen de jaren zo anders is geworden, maar tegelijk zo hetzelfde is gebleven.

Onlangs werd ik 23 jaar. En zoals het verjaardagen traditioneel vergaat, drong een kort maar krachtig reflectiemoment zich op. Daarbij moest ik met pijn in het hart vaststellen dat mijn dromen gevangen zitten in een soort ingewikkelde paradox. Enerzijds zijn ze vanwege schoolwerk en de drukte en chaos van mijn leven in het algemeen nog nooit zo ver op de achtergrond verdwenen. Anderzijds zijn ze nu belangrijker dan ooit. Ik moet met lede ogen toekijken hoe dromen die al lang gerealiseerd hadden moeten worden, alweer een plaatsje dalen op mijn to do-lijst. En dit besef doet me pijn, alsof er iemand met een vork in mijn hart prikt.

Momenteel zie ik maar één oplossing: ik moet ingrijpen en snel. Ik wikkel mijn snoepkleurige dons helemaal om me heen en draai me nog een laatste keer om in bed. “Morgen begin ik eraan. Vanaf morgen komen mijn dromen uit.”